Yvo Verschoor over improviseren:
Vaak vragen mensen me nadat ik een film begeleid heb, welke muziek ik heb
gespeeld. Dan zijn ze verbaasd als ik vertel dat die geheel geïmproviseerd
was. Vaak zeggen ze dat ze thema's van Schumann, Chopin, Ravel of Messiaen
hebben herkend. Soms ook noemen ze componisten van wie ik nog nooit een
stuk heb gespeeld.
Dan ben ik op mijn beurt verbaasd.
Ik maak in mijn improvisaties graag gebruik van het romantisch en impressionistisch
idioom, maar terwijl ik speel weet ik vaak niet waar het precies vandaan
komt.
Het mooiste zou natuurlijk zijn wanneer je tijdens het spelen helemaal niet
meer denkt en totaal een bent met de muziek en de film; je speelt precies
wat je hoort en de muziek die je speelt ondersteunt ook nog precies datgene
dat je wilt laten zien...
Dat overkomt mij gelukkig weleens, maar helaas
zelden een hele film lang.
Die concentratie (of trance) is wel het doel waar
ik naar streef.
Om zo dicht mogelijk bij die ideale situatie te komen, zijn
een paar dingen volgens mij noodzakelijk: je moet je muzikaal zo vrij mogelijk
voelen en dus een zo breed mogelijk 'palet' ter beschikking hebben, wat betekent
dat je dus een redelijk groot repertoire moet opbouwen en bijhouden.
Ten
tweede moet je de film goed kennen, om daar gelaagdheid aan te kunnen geven.
'Prima
vista' improviseren bij een film die je nooit eerder gezien hebt kan ook
juist heel goed werken, omdat het enorme concentratie vergt. Ik heb het vaak
gedaan, maar vind het uiteindelijk meestal toch onbevredigend, zeker als
er meerdere verhaallijnen zijn.
Derde voorwaarde voor mij is een goed instrument,
dat technisch goed werkt en liefst ook nog mooi klinkt; klank is bepalend
voor sfeer en dat is ook de reden waarom ik het liefst mijn eigen vleugel
meeneem bij FilmConcerten. Dan is er natuurlijk nog de ruimte, maar die heb
je meestal niet in de hand.
Improvisatie bij 'Le Pendu' uit 1906
op een August Förster uit 1926,
Pianosalon Christophori Berlijn 2007
Bij 'geïmproviseerde muziek' denken veel mensen niet zo snel aan klassieke of hedendaagse muziek. Improvisatie wordt meestal geassocieerd met jazz. Eigenlijk is dat vreemd, want veel van wat nu 'klassieke muziek' heet, is immers ooit als improvisatie ontstaan. Klassieke componisten improviseerden vaak vele uren voordat ze kozen voor een bepaalde frase, combinatie of zetting - en die uiteindelijk opschreven.
In de eeuw sinds jazz bestaat hebben zich binnen die muziek verschillende stijlen ontwikkeld, ieder met hun eigen specifieke 'speelmanier', hun eigen ritme, hun eigen timing, harmonisatie en kleuring van akkoorden. Maar al die verschillende jazz-stijlen hebben toch twee overeenkomsten. De ene: dat er altijd spanning bestaat tussen metrum en ritme - zodat de muziek 'swingt'. In de klassieke muziek ontbreekt dat totaal. Een tweede overeenkomst is de rol van improvisatie: die is in elke jazz-stijl belangrijk. In de klassieke muziek improviseert veruit meestal alleen de componist - maar dat doet hij in zijn werkkamer; het publiek krijgt dat niet te horen. In de jazz gebeurt dat juist wel, en is het niet de componist die improviseert: het zijn de uitvoerende musici.
Om welke stijl het ook gaat, om te kunnen improviseren moet je precies weten wat van die stijl de kenmerken zijn en je die volledig eigen maken. Improviseren is dus allesbehalve 'maar wat doen'. Vervolgens moet je met die stijl-eigenschappen je eigen verhaal vertellen - en daar misschien wel een nieuwe stijl uit ontwikkelen.
Terug naar de klassieke componisten. Veel van hen bestudeerden en kopieerden de composities van hun collega's en destilleerden daaruit hun eigen stijl. Zo bestudeerde Liszt bijvoorbeeld veel werken van Beethoven. Ravel en Debussy wisten van elkaar waar ze mee bezig waren; ze lieten zich zelfs inspireren door dezelfde schilderijen en gedichten en schiepen vergelijkbare muzikale beelden.
Van de jazz is vrij algemeen bekend en geaccepteerd dat improvisatie er een
belangrijk deel van uitmaakt en
gelukkig zijn er grote voorbeelden
die niet bang zijn stijlen te vermengen, zoals Keith Jarret.
Wat ik doe, stijlkenmerken van alle denkbare muziekstijlen bestuderen - van
jazz tot klassiek en wereldmuziek - en daaruit vervolgens lenen en citeren
voor de muzikale begeleiding van films, komt minder
vaak voor.
De ervaring leert dat de muziekpartij onder een film er veel op wint als
je een breed muzikaal palet tot je beschikking hebt. Daar wordt de begeleiding
een stuk interessanter van dan wanneer je je beperkt tot één
stijl. Citeren uit en improviseren op het werk van Mompou, die met heel
weinig noten de sfeer van Spanje wist op te roepen; contrapunt uit de
barok, met iedere stem een ander personage volgend; de vette, zwelgende
akkoorden gebruiken van Rachmaninoff; of gebruik maken van de unieke manier
waarop Debussy 'beweging' wist op te roepen - op die manier is iedere
stemming - van dramatiek tot verlangen, van passie tot verdriet en onmacht,
van hoop tot vrolijkheid - in muziek om te zetten.
Meestal gebruik je als filmpianist 'bijpassende' muziek bij een
bepaalde scène - al kan het ook lastig zijn om te bepalen wat
'bijpassend' is. Neem bijvoorbeeld films over het oude Rome of
het antieke Griekenland: niemand weet immers hoe de muziek van de Grieken
en Romeinen heeft geklonken. Welke muziek je er ook onder speelt, het is
dus altijd een anachronisme. Dat is niet erg; het geeft bijvoorbeeld een
mooi effect om in een film als “Quo vadis” onder de scènes
met de vroege Christenen gospel te spelen.
Soms ook zoek je het juist in tegenovergestelde muziek. Zet bijvoorbeeld
een Bruckner symfonie onder bepaalde scènes van Charlie Chaplin,
en het effect is dat Chaplin er nog grappiger van wordt. En zo kun je de
gruwelijkheid van bepaalde filmbeelden verzachten door er lieflijke muziek
onder te zetten, maar soms daardoor ook juist weer versterken.
Vooral de gelaagdheid van een
film maakt die voor een componist en begeleider interessant; het benadrukken
van onderliggende gevoelens of verhaallijnen, die niet noodzakelijkerwijs
altijd 'te zien' zijn.
In zekere zin speel je als filmbegeleider zelf een rol mee in de film; door soms
het ene, dan het andere karakter te vertolken, dan weer door de ogen van een
toeschouwer te kijken, dan weer als 'alwetend' verteller te fungeren...
Over muziek onder stomme films bestaan in grote lijnen twee opvattingen. In
de ene schrijft een componist een complete partituur en voeren musici die
uit. In de andere maak je gebruik van improvisatie.
Historisch gezien zijn ze beiden juist, want zo is het in de tijd van de stomme
film ook toegegaan: de film maakte een toernee langs de theaters, maar alleen
in de grootste steden was er een orkest dat de bijbehorende muziek uitvoerde.
In de kleinere theaters was er vaak een pianist, die de muziek improviseerde.
(zie ook: 'historie')
Zelf heb ik een voorkeur voor geïmproviseerde muziek en vind ik het
belangrijk dat de oude kunst van het improviseren bij beeld behouden blijft
en telkens wordt uitgebreid en vernieuwd met hedendaags materiaal.
Er zijn
ook praktische voordelen; de snelheid van afspelen van een film kan variëren,
waardoor een film soms wel 10 minuten langer of korter duurt per uur film.
Een improviserend musicus kan dat opvangen; wie van bladmuziek speelt,
wordt in zo'n situatie al snel a-synchroon en gedwongen zich te herhalen.
Maar vooral biedt improvisatie de mogelijkheid om dichter bij de film te
komen. Uitgeschreven partijen houden vaak iets afstandelijks. Pas wanneer
je improviseert, ontstaat een directe en telkens nieuwe dialoog met het
beeldverhaal op het witte doek.
Een dialoog tussen film, pianist en publiek...
Yvo begeleidt scene uit 'Bed and Sofa' 1927